‘Mijn moeder was geen neushoorn’ was een van de gevatte reacties op mijn aankondiging van een dag voor dochters die ik samen met mijn vriendin Berna aanbied. ‘Moeite met je moeder’ is het thema, en we sierden de nieuwsbrief met een plaatje van een neushoornmoeder met haar jong. Ze staan ‘demonstratief’ met de billen naar elkaar toe lekker te grazen… Een oerdier als symbool voor een oerrelatie. ’Ik speel het in passende gevallen door, hoor!’ voegde de gevatte vriendin eraan toe. Een ander: ‘Ik mail je bericht meteen door aan vriendinnen met loeders van moeders.’ Ik schrok me wild. Roept het speels allitererende ‘Moeite met je Moeder’ dat op? Zouden al die vrouwen die worstelen met de rol en invloed van hun moeder in hun leven de ‘Vrouw die hen Voortbracht’ als een loeder moeten wegzetten? ‘Grapje,’ verklapte de vriendin in kwestie. ‘Succes met de boze dochters!’ schreef een derde. Ik zuchtte. De titel spreekt dus een onvolwassen perspectief aan, besefte ik.
Toen een bevriend journaliste me enthousiast vroeg of ik er, in verband met een artikel dat ze op stapel had staan, iets over kon zeggen ‘of het zin heeft als “slechte” moeders – vrouwen die het idee hebben (of te horen krijgen van hun dochters) dat ze het niet zo goed gedaan hebben – met hun volwassen dochter in therapie gaan,’ wist ik dat er iets moest gebeuren. Met haar vraag verwees ik haar naar Berna, die bakken ervaring heeft met het moeder-dochterthema vanuit therapeutisch oogpunt.

‘Mijn perspectief,’ schreef ik, ‘is dat van de sjamaan:
Op zielsniveau bestaan er geen slechte moeders. Noch “onterecht” boze dochters. Die gevoelens zijn allemaal deel van de menselijke ervaring en vragen erom doorleefd te worden. Ze mogen er zijn. Maar daar staat geen punt. Je hebt namelijk als ziel voor elkaar gekozen en alle thema’s die je met elkaar tegenkomt zijn precies de stenen waaraan je ziel zich slijpt, zoals een diamant vrijkomt door het schuren en hakken van het ruwe gesteente eromheen. “Je slijpen aan elkaar” geldt voor moeders en voor dochters.
Dit zielsperspectief overstijgt het schuld- en slachtofferdenken.
Als je je innerlijk werk doet – als dochter, als moeder; al of niet samen – kun je na verloop van tijd de vraag gaan beantwoorden: waarom koos ik deze vrouw als moeder? Waartoe daagt ze me uit, wat heb ik ondanks en dankzij haar moeten/ kunnen ontwikkelen? Welke kans biedt zij me?
En vanuit het moederperspectief: Wat is het geschenk dat mijn dochter me geeft door wie zij is? Wat brengt ze mij? Wat leer ik door haar? Welke opdracht kan ik hierin zien voor mezelf? Enzovoort.
Gevoelens en gevoeligheden horen bij de menselijke conditie. Die zijn er. Daarnaast en daardoorheen kun je gaan beseffen dat je allebei dienstbaar bent aan elkaars zielsontwikkeling. Door precies zo te zijn als je bent. Nu, toen, en in doorgaande ontwikkeling. Vanuit dit perspectief kun je je pijn delen en elkaar vergeven. Maar je bent er niet afhankelijk van of je moeder of dochter “meedoet”. Het kan zelfs heel goed deel van je zielscommitment zijn dat je dit niet ”samen oplost”. Maar er weet van hebben, dit perspectief meenemen, is een kans binnen ieders eigen leven. Het is je persoonlijke ver-antwoord-elijkheid welk antwoord op je moeder jij bent en “leeft”, en die innerlijke houding is – ik spreek uit ervaring – zeer bevrijdend.’
‘Je moeder, leraar voor het leven.’
Of: ‘Je moeder, je goeroe.’
Is dat een betere titel dan?
Zaterdag 9 november, een dag voor dochters.

Advertenties

Er zijn van die dagen dat ik mijn hoofd niet boven het maaiveld van repeterende gedachten van somberheid en kluistering uitgestoken krijg. Een dilemma over volgende stappen waar ik niet uitkom, een stagnerende prop in een voorheen stromende vriendschap, een oude pijn, opgestoken in een huidige relatie… Onzekerheid, verdriet, angst. Het kan van alles zijn. You name it.
Nou heb ik van horen zeggen dat gevoelens op zichzelf nooit lang duren. Als we er vol in zouden gaan, met heel ons hebben en houden NU toelatend wat we voelen – erdoorheen ademend bij wijze van spreken – dan gaat het weer voorbij en hervinden we onze kalme bron, altijd en onverstoorbaar aanwezig onder de woelige wateren van onze emoties. Het zijn onze gedachten die tot in lengte van dagen kunnen mekkeren en jeremiëren, rondjes draaiend om een pijnpunt heen of een verdrietlied steeds weer herhalend, dag in dag uit van voren af aan, weg van de naakte waarachtigheid van onze gevoelens.

Er zijn van die nachten dat ik er niet van slapen kan. Van een dilemma over volgende stappen waar ik niet uitkom, een stagnerende prop in een voorheen stromende vriendschap, een oude pijn, opgestoken in een huidige relatie. Je kent dat wel. In de donzigheid van een te warm dekbed wordt alles nog erger en uitzichtlozer. Een woestijn onder de wol. God, mijn God waarom heb je mij verlaten? Dat werk.
Laatst in zo’n nacht kwam ik op het lumineuze idee om een van mijn sjamaanse vrienden te hulp te roepen. Het klinkt misschien wat buitensporig als je een ander pad gaat, maar ik heb in de jaren die achter me liggen een hele menagerie aan krachtdieren om me heen verzameld die mij tot spiegel en steun dienen als ik een beroep op ze doe. Ik zou er een boek over kunnen schrijven… Maar nu nog even niet. Nu wil ik je een troostrijke ervaring met mijn krachtdier de zeearend vertellen. Hij zweeft altijd boven mijn kruin als ik me op hem afstem. De kwaliteiten die hij me laat zien zijn overzicht, en de verbinding van boven met beneden; hij vliegt en nestelt in de hoogte, zijn voedsel is beneden…

Verzuipend in de aardse lessen hier beneden – vol dilemma’s, stagnerende proppen, oude en nieuwe pijnen – maak ik verbinding met ‘mijn’ zeearend. Hij landt op mijn schouders, zet zijn klauwen op mijn blote huid, voorzichtig maar stevig, naast de stof van mijn t-shirt. Dan spreidt hij zijn vleugels en laat zich rustig, op de thermiek, naar boven zweven, mij met zich meevoerend, naakt. Want tijdens het opstijgen schudt hij mij zachtjes uit mijn kleren, die als een slordig hoopje op de grond achterblijven. Heerlijk is het, vrij. Naarmate we stijgen zie ik dat bergje kleren daar beneden liggen als een oud kloffie; het is geweven – weet ik – van wie ik dacht te moeten zijn en wat ik hoog meende te moeten houden. Een stapeltje oude gehechtheden, beperkende identificaties, uitgespeelde rollen, overbodig geworden doelen, storende stukjes ego en wat dies meer zij.
Bevrijd van al die ballast voel ik me alsmaar lichter, totdat de zeearend me zachtjes in zijn nest legt, hoog op een rots. ‘Hier kun je uitrusten,’ lijkt hij me te zeggen, ‘tot jezelf komen.’
Puur voel ik me, schoon. Alle zorgen daarbeneden zijn schouderophalend ver weg. Het is alsof ik van binnenuit een zacht licht verspreid.

Sinds die nacht draag ik die zeearendplek, hoog op die rots, met me mee. Het is een oord van troost voor me, als de schoonheid van de lessen die mijn ziel me hier beneden voorlegt – je weet wel: dilemma’s, proppen, pijnen – me ontgaat…
Is het daardoor dat ik gister zomaar, heel stil en intens, het verdriet dat me deze dagen parten speelt kon toelaten? Het duurde niet eindeloos, het zeurde niet, het schreeuwde niet. Gek genoeg leek het op dat zachte licht vanbinnen. Puur, levend, vertrouwend.

Mijn oma van vaderskant, opoe van Rooij, heb ik nooit gekend. Ze stierf jaren voor mijn geboorte. Opoe kwam van een boerderij, baarde zestien kinderen waarvan er elf opgroeiden. In de verhalen van mijn moeder was het een nors mens dat zich niet eens elke dag waste…
Zo kreeg ik in enkele woorden een beeld voorgeschoteld van de vrouw die mijn vader het leven schonk en wier genen ik draag en doorgaf. Er kwamen nog wat beelden bij toen ik mijn moeders levensverhaal optekende. Ze vertelde: ‘Toen je vader en ik trouwden, trokken we bij opoe en opa in. Dat heb ik geweten. Opa en opoe hadden de tussenkamer en je vader en ik de voorkamer. Die was wel door opoe ingericht, maar opa en zij kwamen er nooit. Op een dag – je zusjes waren al geboren – waren je vader en ik ’s avonds naar een verjaardag geweest en hadden opoe en opa opgepast. Ze zaten in de voorkamer, zodat ze die hummeltjes boven goed konden horen. Bij thuiskomst zag ik dat opa gewoon op het kleed had gekitst, naast zijn kwispedoortje! Bah!! En toen ik er wat van zei, kreeg ik van opoe deze opmerking naar mijn hoofd: “Nou, het is nog altijd ons kleed!” Nee, dat was niet leuk.’

Hoe beperkt is onze blik op wie voor ons leefden, onze voorlopers in de familielijn. Ik doe haar geen recht met deze herinnering, maar andere heb ik niet .

Jaren later kwam ik opoe tegen in een sjamanentraining. Ik zwierf door de Schotse natuur in een Vision Queest, op zoek naar mijn spirituele bondgenoten, mijn helpers vanuit de andere werkelijkheden. Als plant meldde zich onder andere de aardappel en in hetzelfde chakra trad opoe van Rooij naar voren. Ze straalde eenvoud uit, een kwaliteit die ik als gecompliceerde zoeker naar de zin van het leven met beide handen aangreep. Als ik me sindsdien op opoe afstem, zie ik haar met het aardappelmandje tussen haar knieën piepers schillen. Ze knikt me vriendelijk toe.

Mijn oma van moederskant woonde op een bovenhuis, had een kleurrijk knopendoosje waarmee we als kleinkinderen mochten spelen en at rosbief bij de boterham. ‘Toe nou, doe niet zo flauw, zing eens een liedje voor oma,’ drong ze aan als we zondags bij haar op visite gingen. Verlegen als ik was, bezweek ik toch onder de druk van mijn muzikaal begaafde oma. ‘Och wat een mooi zuiver stemmetje,’ waren de prijzende woorden waarmee ze me dan beloonde.
Andere complimenten kan ik me niet herinneren. Mijn moeders ‘moeke’ was geen lieve oma. Eerlijk gezegd was ze nogal chagrijnig. Een deel van haar chagrijn kwam vast en zeker door haar gefrustreerde ambities, maar hoe ouder ze werd… Als je haar feliciteerde met haar verjaardag vroeg ze verontwaardigd ‘Woarmeej?!’Waarom was het in hemelsnaam een felicitatie waard dat ze weer een jaar ouder werd? ‘Oh, was ik maar dood,’ zong ze spottend, ‘die ik liefheb die krijg ik toch nooit. En die ik niet mag, ja, die zie ik haast elleken dag.’
Toen ik begin jaren tachtig zwanger werd zonder dat ik meende te hoeven trouwen, zei oma: ‘Ze hoeft hier niemeer te kommen.’ Het liep niet zo’n vaart, maar vrolijk was het contact niet.

Ook haar doe ik geen recht met deze vileine pennenstreken, ik weet het. Maar wat ik ermee wil zeggen, is dat we allemaal zo onze persoonlijke plaatjes hebben van wat een oma is; dit zijn de mijne, het is niet anders. Maar ook Oma Goedmakers was natuurlijk een veel completer mens dan wat ik van haar kon ervaren. Een vrouw in haar tijd, in haar familielijn, met fijne en lastige karaktereigenschappen; waar ik ongetwijfeld wat van meepikte. Het kan niet anders of ze was ook moedig, kwetsbaar, verdrietig, grappig, moederlijk. ‘Moeke’ noemden haar kinderen haar… hoe lief klinkt dat niet! ‘Niet flauw zijn’ en ‘doen waarvoor je gekomen bent’ zijn twee van de boodschappen van haar voor mij waarin ze me raakt, daar waar ik nu ben.
Oma Goedmakers bracht vijf kinderen groot.

Nu word ik zelf weldra oma. In die lange lijn van grootmoeders, overgrootmoeders, betovergrootmoeders en alle voormoeders die aan hen voorafgingen, ben ik aan de beurt. Om aardappelen te schillen met een mandje tussen mijn knieën, mijn kleindochter vriendelijk toe te knikken, mijn knopendoosje voor haar tevoorschijn te halen en om – met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid – nog veel meer door te geven van wat mijn voormoeders me voorleefden… Wat lief of lelijk is zal mijn kleindochter straks uitmaken, daar ga ik niet over. Ik kan niet anders dan met hart en ziel, in mededogen met mijzelf, grootmoeder worden in de lijn van wie mij voorgingen. Als eerbetoon aan mijn opoe en mijn oma, de vrouwen die achter me staan.
Loslaten wil ik, vernieuwen, verstillen.
Voor haar zingen zal ik; over de zon en de maan, de wolken en de wind… En wie weet groei ik stap voor stap uit tot een lieve, leuke, wijze grootmoeder.

Een dezer dagen, het was grijs en fris, liep ik in alle vroegte de achterdeur uit, op weg naar mijn fiets. Na deze uit de schuur gerommeld te hebben stapte ik het poortje door en toen pas hoorde ik het. Het was stil. Prachtig stil. Geen rimpeltje of riedeltje beroerde de lucht. Meteen liet ik mijzelf die stilte in zakken, want voordat je het weet is zoiets alweer voorbij. Ik bedoel: nog voordat het kind, de schreeuw, de auto zich liet horen, was ik mijn stiltegebiedjes ingegleden. Onder mijn oren zitten die. In de ruimte boven mijn schouders. Als ik daar luister, is er rust. Het is er roerloos en vol. Vol met wat? Met diepte, met belofte, met kweetniet. Probeer maar eens. Gewoon je aandacht verzamelen onder je oren en in die ruimte gaan zitten. Stilte. De buitenwereld is er wel, maar jij vertoeft in een veld dat onder de geluiden ligt. Weids is het er, en alles is er verbonden met alles; ziel, essentie, magie…
Niet?
Gossie, dat heb ík weer… Ik weet nog goed dat ik – toen ik dit veld vol belofte pas hervonden had – kon horen wat het gras vertelde, de wind zong, de bijen riepen… En dat ik kort daarna langs een drukke verkeersweg peddelde en het lawaai met gemak buiten me wist te houden. Reuze handig, een stelletje stilteoren aan je kop.

Tussen roepende kinderstemmen, het knarsen van fietsen en het ruisen van auto’s rijd ik met stille oren open naar het ziekenhuis. Ik moet er zijn voor een akelig onderzoekje vanwege een lastige kwaal, maar lichtvoetig vanwege mijn hervonden aansluiting op het veld van tover en troost stap ik door de lange lange gang die me naar de juiste afdeling leidt. En dan, tussen alle routebordjes, passerende zieken en rijdende infuuszakken door lees ik:

Welkom
        Stilte
Ziel
       Ruimte

Dù-hù.
Nee, echt, dat stond er. Ik swéér je.
Tuurlijk, dit was het bordje van het stiltecentrum annex gebedsruimte, ludiek vormgegeven. Maar voor mij als stadse sjamaan was het zonneklaar op deze grijze dag: magie is overal.

‘ ’t Is toch godgeklaagd,’ zou m’n moeder zeggen als ze de temperatuur en de zeikende regen op deze donderdag in mei nog in het ondermaanse mee zou moeten maken. In die stemming stapte ik het natte gras in, vanochtend, om toch maar een wandeling te maken. Ik hield het binnen niet uit, zo treurig opgesloten in mijn piekerhoofd als ik me voelde.

Terwijl ik de capuchon van mijn gewatteerde winterjas op doe, kwaad en teleurgesteld dat ik die weer uit de kast heb moeten trekken, valt mijn oog op een boterbloem. Glanzend geel staat zij daar te wuiven in het frisse groen. Hoe mooi, hoe onverstoorbaar. En ik besef stante pede wat een valkuil het is om te klagen dat het te koud is, te nat, te dit of te dat. Hoezeer houdt vergelijken ons af van het nu, van Dat Wat Is. Het weer Is. Slachtoffer maak ik mezelf ervan als ik er energie in steek dat het anders moet zijn. Hoe hardnekkig toch is dat mopperen, zeiken, vergelijken. En niet alleen over het weer. Oh jé nee. Nieuwsgierig loop ik door.

Een eind verderop staat een boom stevig en ruisend te wezen. Ik ga er met mijn rug tegenaan staan en laat me meevoeren op zijn lied. Mijn moeheid verzacht, de vogels om me heen geven een jubelend concert.
Ik zie de rivier, een boot, de wolken, de ganzen. De rivier stroomt, de boot vaart, de wolk wolkt, de gans gakt en ganst… Wat is het toch gecompliceerd om mens te zijn, besef  ik. Hoe bouwen en  sjouwen we toch om tot onze vorm te komen, onze bestemming, om samen te vallen met wie we zijn. Kijk ons toch eens denken en dwalen. En zie nou zo’n wolk. Hij vormt zich waar ik bij sta, waaiert veranderend uit  en laat zijn vorm los, opgaand in zijn omgeving. Dan wij. Jaren doen we erover om van de ene fase in de andere te raken, ons te ontvouwen, los te laten, ‘Was ik maar een wolk,’ verlang ik, ‘een boot, een boterbloem’… Weemoedig wandel ik verder.

Het geklets van de ganzen trekt mijn aandacht. Wat vertellen ze? Letterlijk versta ik ze vandaag niet, maar ze herinneren mij wel aan de boodschap die ze me eerder gaven: ’Wij komen altijd aan op onze bestemming. Hoe ver we ook reizen, hoe lang ook onderweg, we komen er.’ Getroost stap ik voort. ‘Ha majesteit,’ ontvalt me als ik een populier passeer. Langs haar stam omhoog kijkend tintelen alle blaadjes me als groet tegemoet. Even later schiet ik in de lach om mezelf, want voor ik het weet heb ik het ruwharige rund dat me aanstaart begroet met ‘Hi, koe.’
Fluitenkruid, smeerwortel, dovenetel. Als kind was ik er één mee, vertrouwd; zon, groen, mama. Als puber kocht ik een Prisma om de veldbloemen langs de Dieskant te leren kennen. Benoemd, geduid, afgescheiden.
Pas nu vind ik, met vallen en opstaan, aan de oevers van Waal of Bisonbaai, op de Azoren of in mijn achtertuin, mijn weg terug naar het
een-zijn met het bezielde. Aho Mitakuye Oyasin, zoals het gebed van eenheid en harmonie met alle levensvormen van de Latoka-Sioux indianen begint, Gegroet, Al mijn relaties.
‘Ik sta hier in de wind,’ fluistert de koekoeksbloem me parmantig toe. Ze straalt.

[Dit is de eerste van meer blog posts onder het motto ‘Wilde Wind’, een subpersoon van me die je gaandeweg zult leren kennen als je er zin in hebt haar te volgen op dit blog. En wie weet blijkt er een zus of broer van haar te sluimeren in jou. Stil, of zich uitsprekend in geschreven reacties. In alle gevallen: welkom! En: ‘Sharing is quickening’, dus geef dit blogadres vrijelijk door aan wie je maar wilt.]

Dankbaar kijk ik terug op de afgelopen periode van schrijven, publiceren en verkeren. Ik had er plezier in, de reacties waren hartverwarmend en tot mijn verwondering brachten mijn stukjes schoonheid en troost aan veel meer lezers dan ik verwacht had. ‘Ik heb je laatste tekst doorgestuurd aan een vriendin,’werd me een paar keer aarzelend bekend. ‘Het past zo bij hoe zij worstelt met haar moeder.’ Of variaties hierop. ‘Mag dat?’ ‘Tuurlijk,’zei ik dan, ‘doen! Daar zijn die stukjes voor! Niet voor een besloten kring, maar voor wie er maar op mijn spoor komt. Heel graag zelfs. Niets is zo fijn voor een schrijver (als ik;-) om gelezen te worden. Het stimuleert me enorm. Dus: geef door, geef door!’
Het blog zelf haperde nu en dan. Of mijn omgaan ermee. Sommigen kregen na inschrijving als volger al gauw geen bericht meer. ‘Hoe is het met je blog?’ hoorde ik dan na een tijdje. Terwijl ik alweer weken verder was en nagenoeg elke week wat geplaatst had. Opnieuw aanmelden maar…
Laatst kregen al mijn volgers drie berichten over hetzelfde stukje. Sorry daarvoor, ik raakte even verstrikt.
En een tip voor wie graag de reacties (‘comments’) van anderen wil lezen, maar ze niet vinden kan: onder de titel van elk stukje staat de datum van plaatsing. Daarnaast staat – rechts van // – een  cijfer. Klik dat aan, dan zie je ze.
Tot zover de ‘bruksanvisninge’…

Herkenning, erkenning en dankbaarheid vielen me ten deel. Hier, maar ook in mails en gesprekken. Wat mij dankbaar stemt. En vragen kreeg ik. Over mijn praktijk en over mijn verdere schrijfplannen…
‘Waarom verbreed jij je aanbod qua begeleiding niet naar andere onderwerpen?’ kreeg ik een paar keer te horen. ‘Je hebt zoveel meer in huis dan je ervaring rond kinderwens en zwangerschap!’
Iemand noemde me een vroedvrouw voor het begin en het einde, een vroede (wijze) vrouw…

In mijn praktijk, Freyja, concentreerde mijn werk zich jarenlang rond het begeleiden bij vragen rond ongeboren leven. Ik stimuleer en faciliteer daar het vermogen van mensen om contact te maken met de wijsheid van hun eigen ziel en met het wezen van ongeboren kinderen. Vanzelf raken de vragen en antwoorden op dit gebied andere thema’s in iemands leven. Vaak vinden mensen hun eigen bronnen terug;  verstopt als ze waren met materiaal van buiten of van binnen.

Ik realiseer me, dat zowel in mijn begeleidend werk als in mijn schrijven, de sjamaan in mij meer en meer aan bod komt…
Sjamaan?
Sjamanisme is een vrije, onderzoekende en individuele verhouding met de bezielde wereld. Geen religie, geen instituut, geen priesters. Een sjamaan verkent die andere laag van de werkelijkheid door contact te maken met de natuur en door zich af te stemmen op de onzichtbare dimensies van de werkelijkheid.
Hij – en zij – voelt de energie van bomen, raadpleegt de dieren waarmee hij een bijzondere band heeft opgebouwd (zijn totems), hij hoort de boodschap van planten, luistert naar het verhaal van een steen of naar het lied van de rivier. Innerlijk reist hij naar de dimensies van ongeboren en overleden levens en maakt er zielscontact. Hij communiceert met voorouders en gidsen. En hij bekrachtigt zijn samenwerking met de wezenslaag van de werkelijkheid in rituelen, klein of groot.
Een sjamaan maakt de keuze om alle stenen waarover hij in zijn leven struikelt, te beschouwen als slijpstenen voor zijn ziel. Al zijn verworvenheden, de hele inhoud van zijn rugzak, zet hij in ten behoeve van zijn eigen zielsontwikkeling en – op verzoek – voor die van anderen, in afstemming op en samenwerking met Al Wat Is, het Mysterie van het bestaan.

Innerlijk sjamanisme is een leertraject dat ik volgde om deze levenshouding en vermogens te ontwikkelen en vorm te geven in mijn dagelijks leven anno nu. Andere, oudere sjamanistische culturen kunnen daarbij inspireren, maar de innerlijk sjamaan zoekt zijn eigen vormen die passen in onze cultuur en levenswijze.
Het pad van het innerlijk sjamanisme is de weg die ik al vele jaren bewandel om mijn leven zin en richting te geven.

Ik nodig ieder met vragen die raken aan de thema’s in mijn columns uit om niet te schromen bij mij aan te kloppen. Ik sta er open voor. Nee, ik voorspel je de toekomst niet door de ingewanden van een kip te lezen; en een berenvel draag ik ook niet. Wel kan ik je laten ervaren hoe jij met jouw struikelstenen in de lijn van je voorouders staat en hoe je hun steun kunt ontvangen. Of hoe je vruchtbaar kunt leren samenwerken met de subpersonen in je (je weet wel, Kitty Kritiek, Olga Ongeduld, Pia Perfect en al die anderen). Ik kan je een helpende hand bieden om je relatie met je ouders in een ander licht te zetten. Of om jouw persoonlijke verbinding met de bezielde wereld terug te vinden en er handen en voeten aan te geven.
Welkom. rietvrooij@hetnet.nl of 024 3229722
Mijn website rietvanrooij.nl ga ik de komende tijd aanpassen aan de hoek waaruit mijn wind waait.

De schrijfcirkel over het afscheid van mijn moeder is rond.
Hoe mijn blog verder gaat weet ik nog niet. Misschien laat ik er binnenkort een select gezelschap subpersonen aan het woord. Of ik laat Wilde Wind haar eigentijdse sjamanenverhalen vertellen. Of het wordt een poosje stil, omdat ik te druk ben met schrijfwerk in opdracht of omdat er op de vruchtbare grond van onderstaande teksten een boek groeit dat al mijn aandacht vraagt.
Of wie weet vindt mijn pen een passende weg in dat andere grote gebeuren dat al maanden sluimert in mijn leven… Tegen mijn moeder, bij haar afscheidsdienst, zei ik het zo: “Dag mam. Dag overgrootmoeder van het eerste kleinkind van Hans en mij dat onderweg is.”
In juni is het zover. Dan wordt het meisje geboren van wie ik oma ben.

Gister werd het merendeel van de as van mijn moeder op het daarvoor bestemde veldje van het crematorium verstrooid. Wat ons betreft een formaliteit, daar hoefden we niet bij te zijn. Mijn zussen, broer en ik deden onze eigen rituelen al, op onze manier.
Op de dag dat het lichaam van onze voortbrengster tot as zou worden, stonden we één voor één naast de kist – van fraai massief hout was-ie, ecologisch verantwoord, uitgekozen door mijn broer. Mijn man Hans heette de aanwezigen welkom en gaf achtereenvolgens het woord aan Els, Jeannes eerste dochter, aan Wil, Jeannes tweede dochter, aan Riet, Jeannes derde dochter en tot slot aan Frans, Jeannes zoon. Deze woordkeus alleen al was een ritueel. Mama’s moederschap kreeg er extra glans door.
De muziek varieerde van een ballad van de Stones tot ‘Casta Diva’ van operazangeres Maria Callas. Mooi hoe ieder van ons in woorden en muziekkeus een persoonlijk eerbetoon aan ons mam bracht; liefdevol en licht.
Mijn invalshoek was de spirituele. Zo typeerde ik haar nuchtere gelovigheid met de herinnering hoe ze vroeger, op een dag in mei, vond dat we toch eens iets aan de Mariamaand moesten doen. “Dus Sjaantje met haar drie dochters – haar zoon, Frans, was er nog niet, en papa stond in de bakkerij of was weg met de bakfiets – zonk op de knieën bij het Mariabeeld, voor de litanie: Mystieke roos, bid voor ons, Toren van David, bid voor ons. Komen we bij Ivoren Toren, zegt ons Wil: ‘Tinnen vaasje!…Wij in een deuk, ons mam ook. ‘Och,’zei ze toen lachend, ‘Gao mar speulen gullie, want dit hoalt toch niks uit.’ ” En ik vertelde over mijn gesprekjes met haar over het leven en wat er nog meer is, hier en daar, en zei dat haar cirkel nu rond was.
Aan het eind van mijn praatje zong ik het lied van de maan:

The moon, she dances
like the waves, like the waves
On the shore.

Making circles, making circles
like the waves, like the waves
On the shore

Ik ben geen zangeres, maar dìt wilde ik zo graag voor haar doen. ‘Zing eens een liedje,’ vroeg oma, haar Moeke, vroeger altijd. Toen durfde ik niet. Nu wel. Ook dat had rituele kracht. Anders kan ik de vele verbaasde reacties over onvermoede talenten en de complimenten over mijn zangkunst niet verklaren. Mijn lied raakte iets aan wat onzegbaar was.
Bij de koffie kregen de gasten krentenbollen – van de warme bakker natuurlijk. Onder hen bevonden zich neven en nichten van mijn vaders kant die we jaren niet gezien hadden. Toen neef Henk, de voetballer, op me af stapte en mijn hand schudde vloog ik in volle vaart terug naar mijn kindertijd. Die hand! Een echte van Rooij-hand, precies zoals die van mijn vader. Henk was bereid me nog een hele poos vast te houden. We waren allebei ontroerd.

Wat doen we met de as, twee à drie kilo stoffelijk overblijfsel? ‘Mensch gedenk dat gij stof zijt en tot stof zult wederkeren,’ kon ze plechtig zeggen als ze de geest had. Geen van ons wilde haar in een urn bewaren – het ‘zo hebt u uw dierbare altijd in de buurt’ uit de Dela-folder ten spijt -, laat staan haar in een sieraad vervatten of ergens op laten tatoeëren. Alles kan. Behalve vrijelijk porties uitstrooien op plekken waar stukjes geschiedenis van haar liggen. Als je dat wilt moet je eerst een hele bureaucratische weg afleggen van brievenschrijverij, toestemming, afbakening. Hadden we geen zin in. Eenvoud wilden we.
We vroegen twee kleine haffeltjes van de grote hoop. Dat mocht. Wil en ik haalden ze op. ‘Het is net wiet,’lachte mijn zus toen we de plastic zakjes met stripsluiting overhandigd kregen.

Op de mooiste dag van afgelopen week tijgen we gevieren naar het graf van mijn vader. We legen een zakje moeder-as in het koperen bakje van de weegschaal uit onze winkel van vroeger en mijn broer Frans strooit het uit over het graf van ons pap, zijn naamgenoot. De roos die ik meegenomen heb verliest ter plekke vier blaadjes. Twee ouders herenigd, vier kinders aan hun graf. Zo komen intentie en uitvoering prachtig samen; zoals het een waarachtig ritueel betaamt.
Via de route langs ons ouderlijk huis en de buurt waar we brood brachten, speelden, schaatsten en zwommen, steken we de Maas over, op weg naar ons volgende plekje. Aan de oever van de rivier van onze jeugd strooien we het tweede zakje leeg. Haar laatste sintels geven we mee aan het water dat van Maastricht kwam, de stad waar ze ruim tweeënnegentig jaar eerder geboren werd.
We babbelen wat, aan de koffie in het Veerhuis van Well. Of we nog aan haar denken, of we haar missen, hoe het ons vergaat. Ik ben wat stil, heb alles al gezegd of geschreven. In de verte komt een aak aangevaren. Daar hield ze zo van als we hier zaten, de laatste jaren, van dit zicht op de langsglijdende boten. Waar is ze nou, dat wat geen stof is, geen as, maar zij, haar essentie? mijmert mijn blik weemoedig over het water. De aak passeert. Op haar flank – ik verzin dit niet – staat met grote letters GEEST.

Een Inuit-gezegde luidt:
Voor elke dag zijn er twee plannen – dat van mij en dat van het Mysterie.

Er zijn van die dagen, waarop de woorden van een oud volk of die van een jonge stadsplakker krachtiger in me rondzingen dan het verlangen om eigen woorden te vinden voor wat ik beleef aan schoonheid en troost.
Dat het verspreiden van toevallig gevonden woorden een geschenk kan zijn, bleek zojuist toen ik bovenstaand Inuit-gezegde teruglas in een update van een goede vriendin van me. Ik noem haar Dappervrouw. Onlangs kreeg ze te horen dat ze kanker heeft en ik stuurde haar het Inuit-gezegde. Ze leeft al lang naar de wijsheid die erin doorklinkt, maar gehuld in dit Eskimo-jasje was deze kijk op leven en lot hopelijk nieuw, voor troost en warmte. Dappervrouw gebruikt het gezegde nu als leidmotief in bange dagen. Ik heb groot respect voor de innerlijke kracht waarmee ze openstaat voor wat het Mysterie haar brengt en wat zij erop antwoordt, van dag tot dag. Met haar eigen plan.

Zelf had ik vanochtend helemaal geen plan. Stil werd ik wakker. Hoe anders toch, bedacht ik me, is ons mensenpad dan dat van een vlinder, die door al die stadia gaat van ei tot rups tot pop en zich dan ontvouwt als kleurrijke schoonheid met een levensduur van een dag of wat. Bij veel soorten is het één dagje paren en dan sterven. Gossiemijne. En dan wij: dag na dag, jaar in jaar uit, decennialang leven we, bezig te ontvouwen wie we zijn.
Lees ik vervolgens op een sticker boven de knop van een stoplichtregelpaaltje:
Een dag niet gestorven is een dag niet geleefd.
Daar blijf ik stil van.

Een dezer dagen heb ik mijzelf in contact met mijn moeder gedroomd. Nee, niet ‘s nachts, zoals laatst in die droom over de kelder. Wat? Heb ik die nog niet verteld? Ik droomde dat we met haar in ons huis van vroeger waren, op de binnenplaats. Ze lag in een ijzeren ledikant, maar opeens stond ze op. Met een wit gewaad fladderend om haar kleine gestalte, snelde ze naar de keuken met de zeven deuren. (Nee, dit is geen sprookje, zo’n keuken hadden we echt. In het centrum van dat kleine zakenpand kwamen de deuren samen van de winkel, de woonkamer, de kelder, de trap naar boven, de bakkerij, de binnenplaats en de zijkamer.) In mijn droom spurtte mama langs ons heen en schoot een van die deuren in… ‘Oh help,’ droomde ik, ‘als ze maar niet de kelder in gestort is.’ En wakker was ik.
Het was in die dagen dat ik het pijnstilravijn aan het verwerken was, haar (te) plotselinge vlucht vooruit aan de hand van Mrs Morfine. Dat ze in mijn nachtelijke droomreis in een doodshemd de keldertrap af stortte, weerspiegelde mijn angstige bezorgdheid daarover in een ander jasje…

Nu ging ik er bewust voor zitten om contact met haar te maken. Op klaarlichte dag.
‘Ik zie wel hoe het is,’ had ze over de dood gezegd, en nu ze dan door die poort heen was, wilde ik best eens van haar weten hoe het er was.
Ik stemde me af op die andere laag van de werkelijkheid waar sjamanen, zieners en dromers van alle tijden en culturen heenreizen om ruimer zicht te krijgen dan dat van de ratio. Vrijwel meteen zag ik haar voor me. Breed, stevig, licht en aards. Alles aan haar was groter dan het was. En haar buik straalde. Om precies te zijn, haar onderlichaam vormde een prachtig hart. Bij haar navel lag het dalletje tussen de twee helften, terwijl de onderste punt samenviel met haar kruis. Vrouw en moeder, bloeiend, gelukkig. Zo zag ik haar.
Ik vroeg haar of het een beetje was zoals ze gehoopt had. En of ze haar papa en moeke had gezien, en of ons pap er ook was. ‘Ja natuurlijk,’ leek ze te zeggen. Fijn was het daar, en vertrouwd. Zonder meer. ‘Maar,’ liet ze me weten, ‘denk maar niet dat we nu de hele dag theedrinken met mekaar of samen in de zon fietsen. Ben-de toch gek.’
Nee, nee, mam, dat snap ik. Maar wat dan wel?
Daarop zag ik haar – oud al – zittend in haar stoel. ‘Tja, wat zal ik er eens van zeggen?’ zuchtte ze karakteristiek. Er volgden meer beelden van haar: hoe ze met een flinke bos haar en een grote bril op – outfit zeventiger jaren – in de weer was met vriendinnen; hoe ze in ons oude huis de vloer schrobde, met een schort voor; hoe ze verliefd opkeek naar mijn vader; touwtje sprong als grietje van acht… Taferelen uit haar leven, in omgekeerde volgorde dan de tijd.
‘Maar mam,’ vroeg ik, ‘je wilt me toch niet vertellen dat je waar je nu bent wéér gangen aan het schrobben bent en al die aardse rompslomp meer?’
‘Tuurlijk niet,’ liet ze me weten, ‘maar ik ben wel m’n hele leven aan het nalopen en verwerken; ik krijg nou te zien wat het allemaal te betekenen had.’

Dat er zoiets plaatsvindt las ik in diverse boeken, van esoterie tot bijna-doodgetuigenissen, van oude wijsheid tot nieuwe, en natuurlijk bepaalt mijn persoonlijk opgebouwde gedachtegoed, samen met mijn ruime ervaring met het maken van innerlijke reizen, mede wat ik op zo’n reis zoal hoor en zie, maar nu ik dit zo heel vanzelfsprekend van mijn eigen moeder hoorde, werd het bijna aards gewoon.
‘Klaar ben-de nooit,’ vervolgde ze. ‘Of je nou leeft of in den hemel bent, je ontwikkeling gaat door. Dus,’ voegde ze er als persoonlijke boodschap voor mij aan toe, ‘denk er maar niet te romantisch over.’ Waarbij ze overduidelijk refereerde aan mijn escape-illusies bij vlagen van levensmoeheid.
‘Maar mam, is het niet lichter dan? Vrijer, losser, leuker…?’ 
‘Oh zeker, nou en of. Maar je bestaan is hier niet afgelopen. En alles en ieder heeft zijn eigen tijd.’
 
Opnieuw zie ik haar als de stralende vrouw met haar buik als een hart, met terugwerkende kracht tevreden over haar leven. De ontmoeting is voorbij. Vervuld en opgewekt blijf ik achter. Zo spaarzaam als ik me bij leven gesteund heb gevoeld door mijn moeder, zo warm en wijs is ze nu….
‘Zo zie-de mar, Marietje,’hoor ik haar in mij gniffelen, ‘niks is wat het lijkt.’

In Orthen, een gehuchtje aan de noordkant van Den Bosch, rust een lieflijk kerkhofje. Daar ligt mijn vader begraven. Mijn moeder niet. Ze had niks met dat graf en – met haar tijd mee als ze ging – cremeren vond ze prima. Ze bleef mijn vader haar leven lang trouw, maar samen in een graf, daar merkte je toch niks van, dat hoefde niet. We betaalden dan ook al jaren geen grafrechten meer, maar omdat er geen nieuwe plekken meer gepacht kunnen worden op dat idyllische hofje, ligt het graf van Frans van Rooij er al vierenveertig jaar patent bij. Ik kom er zo nu en dan. Niet omdat ik per se daar moet wezen om contact met mijn vader te maken, maar ik houd van de verstilling, het oude Orthen dat er ademt. Mijn vaders vader en moeder liggen er ook begraven en als de wind er door de bomen ruist wordt mijn besef dat er een hele lijn van voorouders aan mij vooraf is gegaan gevoed. Daar houd ik van.
Op een dag in het afgelopen najaar ging ik erheen voordat ik mijn moeder bezocht. Staand onder de berk die zijn takken over mijn vaders graf buigt, stemde ik me haast vanzelf af op zijn wezen. Ik vroeg hem, of hij wat voor mijn moeder kon betekenen, of hij een handje kon helpen vanuit de dimensie waar hij vertoefde. Ik had zo met haar te doen. Het was fijn om de zielsverbinding tussen die twee aan te spreken en de lieve glimlach van mijn vader die ik voor me zag, gaf me troost.
Als symbool voor het lijntje dat ik met mijn vader heb, nam ik een los stuk leisteen mee van zijn graf. De wortels van de berk hadden het omhoog gewerkt.

’Ik ben nog even naar papa’s graf geweest,’vertelde ik mijn moeder even later, ‘en ik heb een praatje met hem gemaakt.’
‘Zo,’zei ze.
‘Ik heb hem gevraagd,’vervolgde ik, ‘of hij Onze-Lieven-Heer wil vragen of je minder pijn kunt hebben of dat Hij je anders maar komt halen… Maar, ‘bedacht ik toen hardop, ‘ben je het daar wel mee eens?’ Verrast keek ze me aan. ‘Dat zou wat zijn,’glimlachte ze hoopvol.
In zulke gesprekjes kwamen haar geloof in een of ander hiernamaals en mijn aanname dat we deel uitmaken van andere werkelijkheden dan de materiële, bijna vanzelfsprekend samen. Maar een priester hoefde ze er niet bij, tijdens haar ziekte of bij haar afscheidsdienst. ‘Die weten er toch geen van allen iets van,’zei ze altijd. Het laatste wat ze over meneer pastoor opmerkte was, na de mis met Kerst: ‘Zo’n knappe vent. Zunde veur God dat die priester is geworden.’
Dat dan weer wel…

De steen van mijn vaders graf ging in de maanden die volgden een eigen leven leiden. Op mijn altaartje lag hij symbool te wezen voor mijn verbinding met het tijdloze. In diezelfde periode werd ik me ervan bewust, dat ik de dood – de mijne – al te vaak als een aanlokkelijk alternatief zie voor mijn geworstel op deze aardkloot. Daar wilde ik wat aan doen. Ik besloot om uit volle borst ‘ja’ tegen het leven te gaan zeggen – inclusief de nee’s. Om dat besluit te bekrachtigen nam ik me voor, om de-dood-als-oplossing in een zelfbedacht ritueel te verbranden. En wat was beter geschikt als tastbaar symbool voor de dood dan die steen?
Het ritueel kwam er nog even niet van – hoe verbrand je een stuk leisteen? – maar januari jongstleden, op de dag van mijn moeders crematie, diende zich een mogelijkheid aan: ik zou de steen meegeven aan mijn moeder, in de kist! Dan deed hij meteen mooi dienst als verbindingsstukje tussen mijn vaders plekje onder de berk en de as van mijn moeder.
Het speet de uitvaartconsulente zeer, maar voor de verbrandingsoven was die steen te groot. Dat spat en knalt teveel. En zo kwam het ervan, dat de steen van mijn vaders graf tijdens mijn moeders afscheidsdienst boven op haar kist lag, als een stille toehoorder van hoe hun viertal het woord nam, elk in een heel persoonlijk eerbetoon.

Ze zeggen, dat stenen de bibliotheken van de aarde zijn; dat ze al haar verhalen bewaren. Een steen neemt de trilling van alles wat er om hem heen gebeurt in zich op en als we stil genoeg zijn en luisteren, vertelt hij ons wat hij gehoord en gezien heeft.
Zo ligt dat stuk leisteen nu in mijn kastje met foto’s en spulletjes van mijn ouders. Als een zacht fluisterende getuige van wat was, is en zal zijn.

Naschrift
‘Ik schrok, ‘vertelde mijn zus me vandaag. ‘Ik wist niet dat jij de dood als oplossing zag voor de worstelingen van het leven.’ Ik vertelde haar erover. Ik ben niet suïcidaal. Maar ik kan me heel hopeloos voelen over wat ik hier kom doen. Dat is een deel van mijn pad. Laatst werd ik heel enthousiast bij het lezen van een interview met Arthur Japin. ‘Hij zegt het gewoon!’ dacht ik. ‘Hardop!’
Japin: ‘Ik ga vrolijk door het leven, maar ik vind het leven ook erg zwaar en ingewikkeld. Om dat tot een goed einde te brengen… Ik vind het leven eigenlijk te veel gevraagd voor een mens. Het is een te grote opdracht. Maar we gaan het tot het eind volbrengen. Alles wat leuk en vrolijk is, helpt. Daar geven wij ons van harte aan over. Intussen wacht ik al mijn hele leven op de dag dat het afgelopen mag zijn. Zo van: ik mag gaan. Dat lijkt me heerlijk.’
Dat liedje ken ik, maar als er van de vrolijke noot weinig te bekennen valt, trek ik mezelf – als de baron van Münchhausen – uit de modder. In een ritueel bijvoorbeeld. Of door te zingen. Of te bidden. Of door het leven te dansen, met alles erop en eraan. Zoals Godfried het hierboven zegt: ik creëer mij een weg… van schoonheid en troost. (Want het zal me toch niet gebeuren dat iedereen om mij heen denkt: die vrouw van dat liedje van Brigitte Kaandorp ’Ik heb een héééél zwaar leven’… Dat is Riet!)